Column – 26 juni 2026

Ik snap er geen bal van

Om de vier jaar in juni verandert menig huiskamer in een hysterisch filiaal van een WK-stadion. Al mijn nobele pogingen om gedurende al die matchen eindelijk een stapel achterstallige wereldliteratuur weg te werken, eindigden steevast in een forfait.
In plaats van ook dit jaar gefrustreerd de handdoek in de ring te gooien, kan ik beter observeren wat er gebeurt als een bal rolt en de ratio met een rode kaart naar de bank wordt gestuurd.

Een eerste vaststelling is dat de collectieve gekte niet alleen binnenskamers blijft. Vanaf het moment dat ik een voet buitenshuis zet, struikel ik over een collectieve vlaag van nationalisme. Grotere of kleinere exemplaren vastgeklemd in ramen, aan gevels of aan autospiegels.
Aan de dichte concentratie vlaggen te zien, adopteren ook aanhangers van partijen die de  Belgische staat willen ontmantelen massaal de driekleur. Principes blijken verrassend rekbaar als het om het spel gaat.
Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral, schreef Bertolt Brecht. Al is dat vreten tijdens die negentig minuten niet eender wat. Vooral bier, chips en bitterballen verdwijnen in winkelkarren in hoeveelheden te vergelijken met het inslaan van toiletpapier bij het aankondigen van een pandemie. Tegen deze drang naar vet en koolhydraten kan geen Jeroen Meus opboksen: bij elke match hoort nu eenmaal een indigestie aan ongezonde kost om voorbereid te zijn op extra tijd, eventuele strafschoppen of als troost na verlies of euforie.

Brood en spelen
Met dank aan de tekenkunsten van Chat GPT

Cultuurpessimisten die beweren dat vroeger alles beter was en dat Facebook de dorpstoog heeft vervangen, hebben duidelijk nog nooit het nationale elftal zien spelen. Net als tijdens de coronacrisis transformeren miljoenen Belgen zich plotseling tot experts. Van de occasionele kijker die vermoedt dat buitenspel te maken heeft met overspel tot de vaste tooghanger, werkelijk iedereen weet met absolute zekerheid of de bondscoach rood verdient en welke speler er wegens acuut gebrek aan talent van het veld moet worden gesleurd. Zodra de bal rolt, regeert blinde blinde stelligheid: het is zwart of wit en de grijze zone is voer voor voetbalfilosofen.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik de diepere logica van het spel na al die jaren nog steeds niet vat. Wanneer mijn man nét te laat de tv inschakelt en ik opgewekt zeg: Het is nog steeds 0-0, je hebt niets gemist, trakteert hij me op een blik vol echtelijke minachting waaruit blijkt dat ik de bal er totaal naast trap.
Buitenspel blijft voor mij een mysterie dat zweeft tussen scheidsrechterlijke willekeur en collectieve hallucinatie. Iets als het ontstaan van het heelal: iedereen knikt gewichtig alsof hij het min of meer begrijpt, maar niemand weet precies hoe de bal echt aan het rollen ging.

Tijdens de match kijk ik meestal gefascineerd naar de mens naast mij. Hij juicht of vloekt al naargelang de kleur van de truitjes en kijkt bedrukt alsof hij zelf een penalty heeft gemist. Omdat de multitasker in mij ondertussen toch blijft proberen een boek te lezen, zie ik de treffers pas wanneer de herhaling voor de vierde keer in slow motion wordt uitgezonden. Volgens mijn man ben ik de enige die zich meer interesseert voor de toeschouwers dan voor het spel.
Dat is het nadeel van schrijver zijn, vrees ik. Terwijl anderen naar de bal kijken, probeer ik te begrijpen wat die bal met mensen doet. 
Laat mij naar een arena vol supporters kijken en mijn gedachten springen meteen richting Colosseum: een joelende massa is nu eenmaal  een uitstekende manier om de staat van de staat uit beeld te houden.

Vandaag staren we niet naar gespierde gladiatoren in tuniek die met blote handen een leeuw aanpakken, maar naar vedetten in korte broek die een bal achternazitten alsof de toekomst van het vaderland ervan afhangt.
Maar ach, zolang deze verlichte versie van brood en spelen ruimte laat om te debatteren over buitenspel, kunnen we wat we écht zouden moeten tackelen nog even buiten spel laten.

Hilde De Schuyteneer