Op een herfstdag, maandag 7 oktober 1985 startte ik aan de Blandijn, de Gentse Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Germaanse Talen. De avond voordien installeerde ik me in Home Vermeylen, een studentenwoonblok van de universiteit, 8e verdieping, kamer 838. Goedkope huisvesting, maar met onbetaalbaar uitzicht op de Sint-Pietersabdij en de druivelaars. Ik weet niet waarom het zo lang geduurd heeft, maar pas enkele jaren geleden liep ik voor de eerste keer in die abdijtuin, proefde er de wijn ‘In Monte Blandinio’. Voordien nooit gedronken, maar ik herkende de smaak van toen meteen.
Ik zat op kamers, maar wist voordien totaal niet waar ik terecht zou komen. De opleiding had ik gekozen uit een informatiebrochure van de universiteit, als een blouse uit een postordercatalogus. De aanvraag voor de kamer in de studentenhome verliep schriftelijk. Ik wist in de verste verte niet waar ik zou terechtkomen, maar zelfs met een hondenhok was ik blij geweest. De opluchting telkens op zondagavond. Net voordat ik naar de trein vertrok, nog snel een gepaste hoeveelheid verdriet veinzen bij het afscheid om de basis te leggen voor een kalm volgend weekend. Eens uit het zicht, de energiestoot door de ongelooflijke hoeveelheid zuurstof in de lucht.
Elk volgend academiejaar, begin oktober de vreugde omdat ik tijdens de week op penitentiair verlof was. In een luilekkerland zonder opmerkingen, zonder 24-uur surveillance. Tijdens de week geen eindeloze reeks commando’s, ruzies, gezucht als ik te traag reageerde bij het kousen helpen aantrekken, onvoldoende mijn best deed bij droge en natte poetsbeurten.
Mijn vooropleiding voor de Germaanse was – om het met een understatement te zeggen – totaal ongeschikt: Technisch Secundair Onderwijs, richting Handel. Om toegelaten te worden tot de universiteit was ik verplicht een maturiteitsverhandeling neer te pennen. Dankzij mijn taalvaardigheid won ik mijn ticket naar de vrijheid.
Die eerste dagen van het academiejaar werd ik geviseerd door sommige professoren die verklaarden geen goed oog te hebben in studenten met een technische achtergrond.
Onvoorstelbaar, maar in het middelbaar nooit een letter Shakespeare gelezen! In die eerste kandidatuur moest ik jaren achterstand inlopen waardoor er geen tijd overbleef voor feesten. Intussen ken ik de spelregels voor een sonnet:
Elke week een ander feest.
Door Shakespeare ongelezen op de plank
ben ik nooit ergens geweest.
Voor mij op donderdag geen drank.
Geen enkel vertier
in mijn kamertje.
Al het plezier
speelt zich af in de verte.
Het koninkrijk vanuit mijn venster
ziet uit op de abdij.
In de lucht het schijnsel van een eenzame ster.
De prins op het paard is nabij.
Shakespeare en Donne verlichtten mijn geest.
Deze strijd is niet voor niets geweest.
Mijn interesse in geschiedenis, met dank aan de boeken en het enthousiasme van buurjongen E., vormde de reddingsboei tijdens de eerste examenperiode in juni dankzij de selectiecriteria van de meest beruchte professor. Die man polste bij zijn collega’s naar de cijfers voor de geschiedenisvakken en liet die tijdens het mondeling examen voor het vak Engelse taalkunde meetellen in zijn evaluatie. Wie historisch hoog scoorde, stond automatisch in zijn gratie.
Toen ik mondeling examen bij hem aflegde, had ik nog steeds een hopeloze achterstand voor Engelse grammatica. Maar ik had wel 19/20 voor het vak “Historische kritiek” en 16/20 voor de “Geschiedenis van de Lage Landen” behaald. Een enorme bonus! De professor besprak eerst mijn resultaten voor de geschiedkundige vakken. Toen de gevreesde te ontleden zin aan bod kwam, benoemde hij zelf de zinsdelen. Ik hoefde enkel te bevestigen. Hij eindigde met te zeggen dat ik tijdens de vakantie verder moest studeren om mijn achterstand in te halen, omdat hij geloofde dat ik er wel zou komen.
